Rhinopneumonie
Luchtweginfecties.
De meeste luchtwegproblemen (ontstekingen) als gevolg van een rhinopneumonie infectie (=contact met virus) worden veroorzaakt door EHV4.
Echter EHV1 kan ook voor een luchtwegontsteking zorgen. EHV 4 en EHV 1 zijn beide virussen die behoren tot de groep Herpes virussen. Een dier dat hiermee in aanraking is geweest
raakt het meestal nooit meer kwijt!
De verschijnselen van zo'n infectie bij oudere veulens en jaarlingen kunnen gepaard gaan met koorts, "snotneus", vermagering, roodheid van het neusslijmvlies en soms ook zwelling van de keelklieren. Doordat het virus het slijmvlies van de luchtwegen aantast kan een bacteriële ontsteking gemakkelijk aanslaan (de "snot" wordt dan klonterig en troebel). Indien een dier, vaak een ouder veulen of jaarling, voor de eerste maal een infectie doormaakt (eerste contact met virus), kan het de bovenstaande luchtwegontstekingsverschijnselen vertonen.
In de meeste gevallen verloopt een volgende EHV-infectie en soms zelfs de eerste infectie, welke een paard doormaakt, geruisloos.
Van belang is te weten dat het virus zich ongeveer 12 dagen, na infectie, verspreidt en dus in die periode zeer gemakkelijk andere dieren kan infecteren. Indien een ouder dier al meerdere malen in contact is gekomen met dit virus zal het virus door dit dier verspreidt worden, zodat andere dieren ook geïnfecteerd kunnen worden (jong en oud).
De Verlammings vorm.
Deze treedt op bij dieren van alle leeftijden, maar wordt vooral bij volwassen merries beschreven. Naast sufheid, koorts, dikke benen, waterige snot, treedt later een verslapping van de achterhand op. Ook een gevoelloosheid rond de staart en urine incontinentie kunnen een gevolg van de infectie zijn. De prognose van dieren die uiteindelijk weer in de benen komen is vrij goed. De mate van herstel is onvoorspelbaar.
Abortus vorm.
Aangezien dit een groot probleem is zal hier verder op ingegaan worden. Van alle abortussen veroorzaakt door een infectie (virus, bacterie, schimmel etc.) wordt in 40% van de gevallen EHV1 aangetoond. Vijfennegentig procent van de abortusgevallen veroorzaakt door EHV1 treedt op in de laatste vier maanden van de dracht. Meestal betreft het slechts één of enkele merries per bedrijf. Soms verwerpt meer dan 50% van de merries. Indien een paard verwerpt (aborteert) ten gevolge van een EHV infectie, kan dit dier variërend van enkele maanden tot 2 weken voor het verwerpen, het werkelijke contact (infectie) met EHV gehad hebben. Dit contact kan toentertijd zonder echte ziekteverschijnselen verlopen zijn. Wanneer een merrie tegen het einde van de dracht geïnfecteerd wordt, kan het veulen nog levend worden geboren. Deze veulens hebben echter al ernstige schade opgelopen aan de longen, de lever en andere organen en zij bezwijken gewoonlijk in de eerste uren tot dagen van hun leven ten gevolge van bijkomende bacteriële infecties. De abortus vindt vaak explosief plaats zonder "aankondiging". Meestal komen direct de vruchtvliezen mee. Over het algemeen is de vrucht fris.
Was EHV de oorzaak voor de abortus?
Hierbij is de geaborteerde vrucht het belangrijkste onderzoeksmateriaal. Bij de meeste vruchten wordt geen typisch sectiebeeld gevonden, daarom is laboratoriumonderzoek van groot belang. (Gezondheidsdienst voor Dieren , kosten circa € 150 )
Gevolgen voor vruchtbaarheid van de merrie? In het algemeen leidt een abortus ten gevolge van een EHV1 infectie, niet tot een baarmoeder ontsteking en/of verminderde vruchtbaarheid. Wanneer geen complicaties ontstaan kan de merrie na enkele weken weer worden gedekt of geïnsemineerd.
Mijn paard heeft een EHV-infectie gehad, is het dier nu beschermd tegen de volgende EHV infectie?
Vier weken nadat een dier in contact is gekomen met EHV zijn er voldoende afweerstoffen tegen EHV gevormd en zijn de dieren dus beschermt. Echter enkele maanden later zijn er weer te weinig afweerstoffen aanwezig om een volgend EHV contact te pareren, zodat de dieren dan weer gevoelig zijn voor een infectie. De ernst van de ziekteverschijnselen zal afnemen naarmate het aantal contacten cq. infecties met het EHV-virus toenemen. Maar bij elke infectie zal het dier zelf weer meer EHV-virus verspreiden (via de luchtwegen) zodat andere dieren ook geïnfecteerd kunnen worden. Er zijn zelfs aanwijzingen dat het virus al die tijd in een dier opgesloten kan zitten en dat door "omstandigheden" het virus weer actief kan worden zodat het dier een soort infectie van zichzelf krijgt. Onder deze "omstandigheden" worden stresssituaties verstaan (transport, operaties, andere ziektes, voerveranderingen, veranderingen in samenstelling van de groep etc.) .
Is mijn paard een uitzondering dat het EHV in zich heeft?
Het blijkt dat 100% van alle manegepaarden ooit in contact is gekomen met EHV. Zelfs bij een groep die relatief weinig contacten had (een groep pony fokmerries) bleek 54% van de dieren in contact te zijn geweest met EHV.
Bestrijding en voorkomen.
Managementmaatregelen ter voorkoming van de verschillende beschreven vormen van rhinopneumonie zijn erop gericht de introductie en verspreiding van virus op een bedrijf te beperken. Het virus kan op een bedrijf geïntroduceerd worden door dieren van "buitenaf" en door dieren die het virus "in zich verstopt hebben" en die door bepaalde omstandigheden weer verspreider worden. Met deze omstandigheden worden met stress gepaarde voorvallen bedoeld (bv. castraties, vaccinaties, spenen, transport, voeding, wormen, etc.) Het is belangrijk te weten dat jonge dieren die een infectie met het EHV virus doorlopen, er zelf weinig last van hoeven te hebben (meestal wat snotteren) maar dat deze jonge dieren geweldig veel virus verspreiden waardoor de oudere eventueel drachtige dieren opnieuw geïnfecteerd worden, met alle mogelijke gevolgen van dien (bv. abortus).
Preventieve maatregelen:
Drachtige merries mogen geen contact hebben met jaarlingen en andere dieren. Splits de merries met veulen in kleine speengroepen. Verwijder uit een dergelijke groep om de paar dagen een merrie en stal deze merries zo ver mogelijk van de gespeende veulens. hierdoor wordt de stress tot een minimum gereduceerd en blijven de risico's voor de drachtige merries beperkt. Nieuwe paarden die weg zijn geweest, moeten drie weken geïsoleerd worden gehouden van de andere paarden op het bedrijf. Vermijd stress door bv. transport over lange afstanden bij drachtige merries. Hierdoor kan het "verstopte" virus weer geactiveerd worden. Meng geen merries die voor het eerst drachtig zijn met oudere merries.
Maatregelen in geval van uitbraak:
De geaborteerde vrucht moet onmiddellijk in een lekvrije verpakking verwijderd worden en voor verdere diagnostiek onderzocht worden. Waarschuw uw dierenarts Isoleer de mogelijk geïnfecteerde dieren ruimtelijk van de rest. Laat pas drie weken na het laatste klinische geval toe dat paarden het bedrijf verlaten. Reinig een besmette stal huishoudelijk, verbrand het bodemmateriaal en desinfecteer daarna. Verzorg de geïnfecteerde paarden altijd het laatst.
Splits eventueel contactdieren op in kleinere groepen, zodat de schade beperkt blijft bij volgende gevallen. Ga niet slepen met contactdieren, zeker niet in het geval van abortus. Deze dieren zijn waarschijnlijk geïnfecteerd en kunnen het virus weer in hun nieuwe groep introduceren. Denk ook aan schone kleding en bv het wassen van de handen.
Vaccineren/enten?
Vaccineren ofwel enten tegen rhinopneumonie is al een discussie sinds de jaren '40. Ondanks vele verwoede pogingen is men er nog niet in geslaagd een 100% effectief vaccin/entstof te ontwikkelen. Echter regelmatige en frequente vaccinatie tegen de luchtwegvorm van EHV1 en EHV4 kan enige bescherming bieden.
Ook kan een systematische intensieve vaccinatie tot een verminderd voorkomen van abortus als gevolg van een EHV1 infectie leiden. Een garantie tegen het optreden van abortus kan niet gegeven worden. Het meest moderne en wetenschappelijk bewezen meest effectieve vaccin, zou een bewezen(significant) bescherming bieden tegen rhinopneumonie. Nogmaals garanties worden niet gegeven. Ter vermindering van de ernst van luchtwegproblemen en verspreiding van het virus zou geënt kunnen worden. Bij veulens vanaf een leeftijd van 5-6 maanden 2maal enten met een tussentijd van 4-6 weken. Daarna 2maal per jaar.
Als hulpmiddel ter vermindering van abortus: driemalige enting op de 5e, 7e, en 9e maand van de dracht.
Drs. J.C.M. van Dijck